Social-profitsectoren

De social profit in kaart brengen is een uitdaging. Want afhankelijk van de situatie en actor gebruikt men andere definities of indelingen. De indeling die we hier hanteren beantwoordt aan de wijze waarop sociale partners en overheden meestal hun sectoren indelen. Dat is meestal niet naar hun activiteit (via de NACE-code zoals bv. wél in vele statistieken), maar wel naar een combinatie van bevoegdheid (publiek/privé/zelfstandigen) en paritair comité.

Bevoegdheid  Paritair
comité 
Sectoren / subsectoren
Vormingsfonds   0,10%  Maribelfonds 
 Privésector
 Vlaams  318.02  Gezinszorg  ja  nee ja
 319.01  Vlaamse opvoedings- en huisvestingsinrichtingen  ja  ja  ja 
 327.01  Sociale en beschutte werkplaatsen      
 > Sociale werkplaatsen  ja  ja ja 
   > Beschutte werkplaatsen  ja  nee ja
 329.01   Socioculturele sector  ja  ja ja 
 331  Vlaamse welzijns- en gezondheidssector*  ja  ja ja
 Apart  Lokale diensteneconomie
 ja  nee  nee
 Federaal  330  Federale Gezondheidsinstellingen en -diensten
   ja
   330.01.10  > Privé-ziekenhuizen  ja  ja  -
   330.01.20  > Ouderenzorg  ja  ja  -
   330.00.30  > Thuisverpleging  nee  -  - 
   330.00.41/42  > Revalidatiecentra  nee  -  - 
   > Overige gezondheidsinstellingen en -diensten**  ja  ja  -
   330.02  > BICO, GID, VGC  nee  -  - 
 Publieke gezondheids- en welzijnssector
     OCMW-woonzorgcentra en -gezinszorg, UZ,...
 nee  -  - 

*
Vlaamse welzijns- en gezondheidssector: Kinderopvang en gezondheidsinstellingen en -diensten
** Overige Gezondheidsinstellingen en -diensten: initiatieven beschut wonen, wijkgezondheidscentra, rode kruis/bloed, restsector (eerste hulp, EDPBW, polyklinieken,...)

Legende tabel:

Kolom 1: onderscheid tussen privé en publiek (opgelet: de zelfstandigen of vrije beroepen in de sector worden daarbij niet in rekening gebracht). Vervolgens is er binnen de privé social profit, het relevante onderscheid naar bevoegdheidsniveau Vlaams/federaal.
Kolom 2: Binnen sommige paritaire comités zijn bepaalde ‘subsectoren’ (soms sub-comités) relevant gezien hun aparte activiteit of eraan gelieerde fondsen.
Kolom 3: VIVO vertegenwoordigt in zijn overkoepelende rol, liefst 13 relevante sectoren/subsectoren in de social profit. VSPF verleent zijn diensten aan 5 van de Vlaamse sectoren (enkel niet voor PC 327.01).
Kolom 4: Hier zie je of er voor de betreffende sector een vormingsfonds bestaat.
Kolom 5: Hier zie je of het fonds kan putten uit de RSZ-middelen opgelegd door de 0,10%-maatregel voor ‘risicogroepen’.
Kolom 6 : Hier zie je of er voor de betreffende sector een maribelfonds bestaat. Voor PC 330 is er een maribelfonds op het globale niveau, niet per subsector (er zijn wel zogeheten 'Kamers').

Volgens de cijfers van het departement WSE (zie sectorfoto social profit) telde de social profit in het tweede kwartaal van 2011 275.046 loontrekkenden in Vlaanderen (met inbegrip van 13.600 werknemers in het nieuwe PC 337 dat we hier niet beschrijven). Over alle sectoren heen waren op dat moment 2.110.373 loontrekkenden actief. De social profit is dus goed voor een aandeel van 13,0% van alle loontrekkenden in Vlaanderen.


Tussen 2010 en 2011 is de loontrekkende tewerkstelling in de social profit toegenomen met 10.085 werknemers. Dit komt overeen met een stijging van +3,8% op jaarbasis. Voor alle sectoren samen steeg de tewerkstelling met +1,3% tussen 2010 en 2011 (+26.821 eenheden). Tussen 2005 en 2011 is de loontrekkende tewerkstelling in de social profit zelfs gestegen met 26,6%.

Vlaamse social-profitsectoren

Lees de uitgebreide informatie over de Vlaamse social-profitsectoren.

Federale social-profitsectoren

Lees de uitgebreide informatie over de Federale social-profitsectoren.